Het sterretje in de tuinvel 1 van 3
Er was eens een kind dat Fien heette. Op een avond kon Fien niet slapen. Zij keek naar de maan en de sterren. Eén klein sterretje wiebelde. Het wiebelde heel erg.
En toen... tsjiiing! Het sterretje viel uit de lucht. Het tolde en draaide de tuin in. Daar lag het in het gras, met een zilveren lichtje.
Fien trok haar sloffen aan. Op haar tenen sloop zij de trap af. Langs de snurkende hond. Door de keuken, de deur uit, de koude tuin in.
In het gras zat het sterretje. Het was zo klein als een appel. En het huilde zilveren traantjes. ‘Ik ben gevallen,’ snikte het. ‘Nu kan ik nooit meer naar huis.’
‘Ik help je wel,’ zei Fien. Zij pakte het sterretje. ‘Een, twee, drie, hup!’ Het sterretje vloog tot boven het schuurtje. Maar toen viel het terug, plof, in Fiens armen.